
Al jarenlang wordt de Body Mass Index (BMI) gebruikt als dé maatstaf om te bepalen of iemand een gezond gewicht heeft. Veel mensen kennen hun BMI en zien het als een belangrijke graadmeter voor hun gezondheid. Toch groeit de kritiek op deze methode al jaren. Nieuw wetenschappelijk onderzoek bevestigt opnieuw dat BMI lang niet altijd een betrouwbaar beeld geeft van iemands werkelijke gezondheid.
Voor instructeurs is dit waardevolle kennis. Niet alleen omdat deelnemers regelmatig vragen stellen over afvallen, gewicht en gezondheid, maar ook omdat we steeds beter begrijpen dat gezondheid veel verdergaat dan wat de weegschaal of een BMI-berekening laat zien.
BMI staat voor Body Mass Index en is een eenvoudige berekening op basis van lengte en gewicht. De uitkomst wordt gebruikt om mensen in te delen in categorieën zoals ondergewicht, gezond gewicht, overgewicht of obesitas.
Hoewel BMI tegenwoordig wereldwijd wordt gebruikt, was dat oorspronkelijk helemaal niet de bedoeling. De formule werd in de negentiende eeuw ontwikkeld door de Belgische wiskundige Adolphe Quetelet om gewichtspatronen binnen grote bevolkingsgroepen te analyseren. Het was nooit bedoeld als instrument om de gezondheid van individuele personen te beoordelen.
Juist daar ligt tegenwoordig de grootste kritiek op BMI.
BMI is namelijk eenvoudig, goedkoop en snel toe te passen. Maar tegelijkertijd kijkt de berekening slechts naar één ding: het totale lichaamsgewicht. En dat vertelt lang niet het hele verhaal.
Het grootste nadeel van BMI is dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen spiermassa, vetmassa, botmassa en vocht.
Daardoor kan een fanatieke sporter met veel spiermassa volgens de BMI officieel overgewicht hebben, terwijl hij of zij juist een uitstekende conditie en een laag vetpercentage heeft. Andersom kan iemand een 'gezond' BMI hebben, maar toch relatief veel lichaamsvet en daarmee een verhoogd gezondheidsrisico.
Nog belangrijker is de plek waar vet wordt opgeslagen.
Volgens Bryce Hastings, Head of Research bij Les Mills International, is vooral visceraal vet een belangrijke voorspeller van gezondheidsproblemen. Dit vet bevindt zich diep in de buikholte rondom organen zoals de lever, alvleesklier en darmen. In tegenstelling tot het onderhuidse vet, dat direct onder de huid zit en zichtbaar of voelbaar is, is visceraal vet nauwelijks zichtbaar.
Juist daardoor blijft visceraal vet vaak lange tijd onopgemerkt. Onderzoek laat zien dat een teveel aan visceraal vet samenhangt met een verhoogd risico op onder andere hart- en vaatziekten, diabetes type 2, chronische ontstekingen en andere metabole aandoeningen.
Met andere woorden: twee mensen kunnen exact hetzelfde BMI hebben, maar een totaal verschillend gezondheidsprofiel.
Performancefysioloog professor Paul Laursen vat het mooi samen:
"Understand what matters, then measure whatmatters."
Oftewel: begrijp wat belangrijk is en meet vervolgens dát.
Volgens Laursen zegt lichaamsgewicht op zichzelf verrassend weinig. Ons gewicht bestaat immers uit spieren, vet, botten en vocht. Veel relevanter is hoeveel ongezond buikvet iemand met zich meedraagt en hoe dat het lichaam beïnvloedt.
Daarom verschuift de aandacht binnen de wetenschap steeds vaker van lichaamsgewicht alleen naar lichaamssamenstelling en vetverdeling.
Gelukkig zijn daarvoor niet altijd ingewikkelde scans of dure apparatuur nodig.
Steeds meer onderzoekers adviseren om ook detaille-lengteverhouding te gebruiken als eenvoudige gezondheidsindicator.
De methode is verrassend simpel:
· Meet je tailleomvang.
· Verdubbel deze meting.
· Vergelijk het resultaat met je lichaamslengte.
Is twee keer je tailleomvang groter dan je lichaamslengte? Dan kan dat een aanwijzing zijn dat er sprake is van een verhoogd cardiometabool risico.
Hoewel ook deze meting geen diagnose stelt, blijkt uitonderzoek dat de taille-lengteverhouding vaak een betere voorspeller is van gezondheidsrisico's dan BMI alleen.
Dat komt doordat buikomvang veel sterker samenhangt met dehoeveelheid visceraal vet dan het totale lichaamsgewicht.

Steeds meer onderzoekers en zorgprofessionals kiezen daarom voor een bredere benadering van gezondheid.
Naast BMI wordt steeds vaker gekeken naar tailleomvang, bloedwaarden, bloeddruk, lichaamssamenstelling en leefstijl. Ook nieuwe modellen, zoals de Visceral Adiposity Index, combineren meerdere gezondheidsgegevens om een nauwkeuriger beeld te geven van iemands risico op hart- en vaatziekten en andere metabole aandoeningen.
Deze ontwikkeling helpt zorgprofessionals én fitnessprofessionals om mensen beter te begeleiden. Niet alleen worden gezondheidsrisico's eerder herkend, ook voorkomt het dat fitte mensen met veel spiermassa onterecht als ongezond worden bestempeld.
Als instructeur speel je een belangrijke rol in hoe deelnemers naar hun gezondheid kijken.
Veel deelnemers zijn nog sterk gefocust op hun gewicht of BMI. Wanneer de weegschaal niet beweegt, kan dat voelen alsof alle inspanningen voor niets zijn geweest. Terwijl er onder de oppervlakte vaak juist heel veel verandert.
Misschien is iemand sterker geworden, heeft hij of zij spiermassa opgebouwd, meer energie gekregen, de conditie verbeterd of zich simpelweg fitter en zelfverzekerder gaan voelen.
Dat zijn allemaal resultaten die een BMI niet laat zien.
Juist daarom kun jij deelnemers helpen om gezondheid breder te bekijken. Door de aandacht niet alleen te richten op afvallen, maar ook op kracht, mobiliteit, fitheid, energie en plezier in bewegen, help je mensen om gemotiveerd te blijven én duurzamer resultaat te behalen.
Hoewel je geen vet kunt verbranden op één specifieke plek van het lichaam, laat onderzoek zien dat een actieve leefstijl een belangrijke bijdrage levert aan het verminderen van visceraal vet.
Vooral krachttraining in combinatie met high-intensityinterval training (HIIT) blijkt hierin effectief. Uit onderzoek naar LES MILLS GRIT™ bleek zelfs dat deelnemers die dit programma toevoegden aan hun reguliere trainingsroutine binnen acht weken meer vermindering zagen in buikomvang en visceraal vet dan deelnemers die uitsluitend traditioneel trainden.
Ook voeding speelt een belangrijke rol. Voedingsdeskundige Niki Bezzant adviseert om sterk bewerkte voedingsmiddelen, suikerhoudende dranken en geraffineerde koolhydraten zoveel mogelijk te beperken. Een voedingspatroon met veel onbewerkte producten, groenten, fruit, volkorenproducten en voldoende eiwitten ondersteunt een gezonde lichaamssamenstellingen helpt overtollig visceraal vet terug te dringen.

BMI kan nog steeds een nuttig screeningsinstrument zijn, maar vertelt nooit het hele verhaal.
Gezondheid draait om veel meer dan een getal op de weegschaal. Lichaamssamenstelling, vetverdeling, leefstijl, kracht, conditie en dagelijks functioneren geven samen een veel completer beeld.
Voor instructeurs ligt hierin een mooie kans. Door deelnemers te helpen verder te kijken dan alleen hun gewicht, draag je bij aan een gezondere mindset én aan duurzame resultaten. Uiteindelijk draait gezondheid niet alleen om minder kilo's, maar vooral om een sterker, fitter en gezonder lichaam waarin mensen zich goed voelen.
· BMI is een handig screeningsinstrument, maar geen diagnose.
· Lichaamssamenstelling vertelt veel meer dan lichaamsgewicht alleen.
· Vooral visceraal vet verhoogt het risico ophart- en vaatziekten, diabetes type 2 en andere metabole aandoeningen.
· De taille-lengteverhouding geeft vaak een beter beeld van gezondheidsrisico's dan BMI alleen.
· Krachttraining, HIIT en een gezonde leefstijl helpen om visceraal vet te verminderen.
· Als instructeur kun je deelnemers helpen de focus te verleggen van gewicht naar gezondheid, kracht en duurzame vooruitgang.